Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0280

Datum uitspraak2006-09-27
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/243 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

WW-uitkering na aanvankelijke weigering als nog toegekend. Schadevergoeding? Proceskosten.


Uitspraak

05/243 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 december 2004, 04/7 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 september 2006. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten. II. OVERWEGINGEN De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 12 juli 2003 geen recht heeft op WW-uitkering omdat hij niet voldoet aan de wekeneis. Het namens appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 26 november 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 26 november 2003 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld waarbij de Raad is verzocht de aangevallen uitspraak en het besluit van 26 november 2003 te vernietigen en het Uwv te veroordelen tot betaling van de schade die het gevolg is van de onrechtmatige beschikking alsmede de kosten van deze procedure. In het verweerschrift van 3 mei 2005 heeft het Uwv de Raad laten weten zijn standpunt niet te handhaven en heeft bij nieuw besluit van 28 juni 2005 het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2003 gegrond verklaard en appellant met ingang van 11 juli 2003 alsnog een uitkering ingevolge de WW toegekend en besloten tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 433,--. Bij brief van 2 november 2005 heeft appellant de Raad laten weten zich te kunnen verenigen met het gestelde in het besluit van 28 juni 2005 en daarbij verzocht om wettelijke rente over de nabetaling. De Raad overweegt als volgt. Gelet op het nadere besluit van 28 juni 2005 en de brief van appellant van 2 november 2005 komt het besluit van 26 november 2003, alsook de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking en kan het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade worden toegewezen. De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen tot vergoeding van renteschade over de nabetaling van de alsnog aan appellant toekomende WW-uitkering, waarbij de Raad volstaat te verwijzen naar de berekening in het door het Uwv dienaangaande genomen besluit van 9 juni 2006 waarmee appellant zich blijkens zijn brief van 17 juli 2006 aan de Raad, verenigt. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 644,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2003 gegrond en vernietigt dat besluit; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) P. Boer.